de Volhoudbaarheid

duurzaamheid met draagvlak

diensten

informatie

Geluid van windturbines geen probleem?

 

Staatssecretaris Wilma Mansveld heeft de Tweede Kamer gerapporteerd dat er geen problemen zijn met het handhaven van de geluidsnormen rond windturbines.

Op dat standpunt valt nogal wat af te dingen. Zowel wanneer het gaat om het realiseren van de door de politiek gestelde doelen (maximale hinder), de discrepantie tussen de uitkomsten van handhavingsmetingen en door derden uitgevoerde metingen en op het punt van de gehanteerde meetmethoden en het rekenmodel is deze rapportage voorzichtig gesteld eenzijdig.

In 2010 heeft Minister Huizinga (VROM) de Kamer en de gemeenten laten weten dat bij de vastgestelde normen (LDEN < 47 dB(a),  LNight< 41 dB(A)) er in de omgeving niet meer dan 9% van de omwonenden (geluids-)hinder zouden ondervinden.  Uit belevingsonderzoeken onder omwonenden in een straal van 1200 meter rond turbines komt een veel hoger percentage (24-33% belangrijk gehinderden).  Dit percentage wordt ondersteund door onderzoek van Miedema, dat aangeeft dat bij een gemiddelde geluidsbelasting van 47 dB(A) omstreeks 25% van de proefpersonen die blootgesteld worden aan geluid van windturbines dit als hinderlijk ervaren. Bij een vergelijkbare geluidsbelasting door wegverkeer zou dit percentage op ongeveer 8% liggen.

 

 

 

 

 

                                                                                                                                      

 

 

 

 

 

 

 

 

De norm gaat uit van een maximale geluidsbelasting van woningen (gevoelige objecten). In een handhavingsmeting wordt juist dat niet gemeten. Rond windturbines zijn klachten over geluidshinder die voor handhavers onwaarschijnlijk zijn. Om die klachten werkelijk te onderzoeken zou een geluidsmeting over langere periode (weken/maanden) direct bij de woning van de klager uitgevoerd moeten worden. In plaats daarvan vindt een standaardmeting plaats in de directe omgeving van de turbine en wordt vervolgens berekend hoe hoog de geluidsbelasting bij de woning in theorie zal zijn. Die theorie moet de praktijkervaringen van de omwonende weerleggen.

De basis van de meetmethode en het rekenmodel zijn ontwikkeld in een periode dat turbines met een ashoogte van 25 en een tiphoogte van 37 meter al grote jongens waren.  In die tijd was de windsnelheid op 10 meter hoogte representatief, konden het samenstel van rotorbladen en gondel met tandwielkast als een puntbron voor geluid opgevat worden en was de bodemgesteldheid één van de belangrijkste dempingsfactoren.  Bij de huidige turbines is er bijna onder alle omstandigheden sprake van een duidelijk verschil in windsnelheid tussen de tiphoogte, de ashoogte en de onderste stand. De turbine kan opgevat worden als meerdere verschillende bronnen die elkaar kunnen beďnvloeden.  Daarbij wordt het geluid dat rond de top wordt voortgebracht nauwelijks gedempt door bodemfactoren (en reikt dus verder). Het rekenmodel is niet (voldoende) aan deze veranderingen in de turbines aangepast.

Zomaar drie punten die die suggereren dat er wel degelijk ‘iets’ aan de hand is en die mevrouw Mansveld niet aan de Kamer heeft meegedeeld.

 

Terug naar blogs/opinie

van den Berg F, Pedersen E, Bouma J, Bakker R.

Project WINDFARMperception – Visual and  acoustic impact of wind turbine farms on residents. Final report, Universiteit Groningen, UMCG en Universiteit Göteborg, 2008