de Volhoudbaarheid

duurzaamheid met draagvlak

diensten

informatie

Juridische en fiscale aspecten met betrekking tot de resultaten van de co÷peratie

 

Een in Nederland gevestigde co÷peratie of vereniging op co÷peratieve grondslag wordt als

belastingplichtige aangemerkt voor de vennootschapsbelasting. Dit betekent dat een

co÷peratie vennootschapsbelasting verschuldigd is over haar resultaat. Deze belastingplicht

is algeheel. De co÷peratie wordt geacht met behulp van haar gehele vermogen haar

onderneming te drijven. Alle behaalde resultaten zijn daardoor belast. Elk voordeel wordt als

omzet meegenomen.

Nota bene: Dit is wezenlijk anders dan bij een stichting of vereniging. Deze rechtsvormen zijn

partieel belastingplichtig, namelijk slechts Ĺindien en voor zover zij een onderneming drijvenĺ.

Het deel dat geen onderneming drijft valt niet in de belastingplicht. Dit kan positief uitpakken

bij resultaten uit niet-ondernemingsactiviteiten, maar ook negatief uitpakken bij kosten die als

niet-ondernemingsactiviteit moeten worden gekwalificeerd. Dit betekent dat bij activiteiten

die ideŰel (en niet-concurrerend met de markt) van karakter zijn, de gevolgen voor de

vennootschapsbelasting bij een co÷peratie geheel anders uit kunnen pakken dan bij een

stichting of vereniging.

Lokale co÷peraties zullen in basis algeheel belastingplichtig zijn voor de

vennootschapsbelasting. Het tarief is 20% over de winst tot en met Ç 200.000. Daarboven

bedraagt het tarief 25%.

Belastingaspecten bij uitdelingen / dividendbetalingen aan de leden

Een lokale co÷peratie kan besluiten om haar (eventuele) winst uit te delen aan haar leden.

In onderstaande wordt ingegaan op de fiscale gevolgen van deze uitdelingen voor de ontvanger.

Daarnaast kunnen deze uitdelingen door het bijzondere regime van de co÷peratie ook gevolgen

hebben voor de uitdelende co÷peratie. Ook deze gevolgen worden behandeld.

 

A. Uitdelingen van een centrale co÷peratie aan een lokale co÷peratie

Een lokale co÷peratieá kan zich aansluiten bij een grotere, vaak regionaal werkende co÷peratie.

Dit lidmaatschap vormt voor de lokale co÷peratieá voor de vennootschapsbelasting een deelneming.

Dit betekent dat de voordelen die uit het lidmaatschap opkomen (zoals waardestijging of waardedaling

van het lidmaatschapsrecht, uitdelingen van dividend, eventuele winst bij liquidatie) voor de

vennootschapsbelasting niet in aanmerking worden genomen. Dit door de werking van de deelnemingsvrijstelling.

Dit voorkomt dubbele heffing over dezelfde winst.

Let op: dit geldt alleen voor voordelen die opkomen uit de deelneming, niet voor voordelen uit overeenkomsten

en transacties tussen de lokale co÷peratie en de regionale co÷peratie. Deze worden regulier in de belastingheffing betrokken.

Uitdeling van dividend door de regionale co÷peratie aan de lokale co÷peratie, zal door de deelnemingsvrijstelling

in de lokale coopertatie niet tot heffing van vennootschapsbelasting leiden.

 


B. Uitdelingen van de lokale co÷peratie aan haar leden

Fiscale aspecten bij leden natuurlijke personen

Als natuurlijke personen lid worden van de regionale co÷peratie is de fiscale kwalificatie van uitdelingen

aan deze groep veel gecompliceerder. Dit komt omdat de behandeling van de leden in de inkomstenbelasting

niet eenduidig is. Dit heeft te maken met het feit dat:

- het co÷peratie regime op andere wijze wordt gebruikt dan in het verleden,

bijvoorbeeld nu ook voor diensten. Hier is het regime niet voor geschreven. Hierdoor

zijn er onduidelijkheden in de toepassing van wet- en regelgeving;

- leden op verschillende manieren met een co÷peratie verbonden kunnen zijn;

bijvoorbeeld als lid, als arbeidskracht/werknemer, als klant, als ondernemer et cetera.

Met betrekking tot dit laatste zijn in basis drie smaken mogelijk:

1. het lid is ondernemer voor de inkomstenbelasting, en zijn lidmaatschap in de

co÷peratie wordt - Ĺals verlengstukĺ van zijn bedrijf - als ondernemingsvermogen

aangemerkt. Alle voordelen vanuit de co÷peratie zijn dan in box I tegen het

progressieve tarief belast (+/- 35% t/m 52%);

2. het lid heeft een aanmerkelijk belang in de co÷peratie. Dit is het geval indien hij:

a. ten minste recht op 5% van de winst van de co÷peratie heeft; en/of

b. ten minste 5% van de stemrechten in de algemene vergadering van de

co÷peratie heeft.

De belastingheffing bedraagt (in box II) 25% over de resultaten die uit het

lidmaatschap opkomen: waardestijging en dividenden.

3. het lidmaatschap kan in box III vallen. Jaarlijks wordt het lid geacht 4% rendement te

maken op de waarde van zijn lidmaatschapsrecht. Over dit fictieve rendement

betaalt hij/zij 30% belasting.

De rangorderegeling in de wet inkomstenbelasting bepaalt welke heffing (smaak) bij het lid

aan de orde is. Deze rangorde is: eerst winst uit onderneming (box I), dan aanmerkelijk

belang (box II) en als laatste box III.

 

B2. Fiscale aspecten bij de co÷peratie

In basis treden deze fiscale gevolgen op bij de leden. Deze gevolgen zijn daarom in basis niet

relevant voor de co÷peratie. Er zijn echter twee belangrijke uitzonderingen specifiek voor het

co÷peratieregime:

1. Er worden uitdelingen gedaan aan natuurlijke personen. Dit kan bij de co÷peratie tot

een aftrekpost in de vennootschapsbelasting leiden. Dit wordt de verlengstukaftrek

genoemd;

2. Er zijn leden met een aanmerkelijk belang, waardoor complicaties kunnen optreden:

a. bij leden die arbeid voor de co÷peratie verrichten. Getoetst moet worden of

dan de fictief loonregeling van toepassing is, met de daaraan gekoppelde

minimumvergoeding.

b. bij overgang van box II naar box III. Dit is het geval indien de co÷peratie meer

dan 20 leden krijgt en het belang onder de 5% zakt. Het lid moet dan ľ zonder

dat hij iets realiseert ľ 25% belasting betalen over de waardestijging van zijn

lidmaatschapsaandeel. Dit speelt ook indien het belang overgedragen wordt

aan een ander lid (bijv. bij 10+ leden).

Wellicht is het verstandig om na te denken over het voorkomen van aanmerkelijk belang

posities. Dit door in de regionale en in de lokale co÷peratie er voor te zorgen dat het belang

altijd minder dan 5% bedraagt. Een andere optie is het laag houden van de waarde van het

aanmerkelijk belang zolang dit speelt.á

Bij de leden van de lokale co÷peraties speelt een soortgelijk aspect.

Hier is het verstandig te streven naar oprichting door ten minste 21 leden.

Aanmerkelijk belangproblematiek wordt dan voorkomen.

De verlengstukgedachte

In basis wordt de co÷peratie gelijk behandeld als andere kapitaalvennootschappen, zoals

de BV en de NV. Er is echter ÚÚn groot verschil: dividend dat de co÷peratie uitkeert kan

leiden tot een aftrekpost in de vennootschapsbelasting. In een aantal situaties is beoogd de

belastingheffing over de winst te verleggen naar de leden.

Dit door bij uitdelingen aan natuurlijke personen uit de daartoe beschikbare jaarwinst,

volgens een breuk, een aftrek in aanmerking te nemen. Hierdoor ontstaat de situatie dat de

belastingdruk van de co÷peratie mede wordt bepaald door de uitdelingen die over de winst

van het jaar worden gedaan, en aan de hoedanigheid van het lid, aan wie deze worden

gedaan. Deze situatie kan in basis enkel voorkomen bij leden-natuurlijke personen. Al zijn er

mogelijkheden om in een uiterst select aantal gevallen dit regime ook op ledenrechtspersonen,

zoals de BV, toe te passen. Slechts wanneer het aantal ledenrechtspersonen

maximaal 5% van het aantal leden beloopt, is dit op grond van een

toezegging van de Staatssecretaris van FinanciŰn toegestaan.

Belangrijk voor een regionale en een lokale co÷peratieá is dat:

- de hoedanigheid van een lid ľ rechtspersoon of natuurlijk persoon ľ fiscaal effect kan

hebben binnen de co÷peratie;

- een mix van leden-natuurlijke personen en -rechtspersonen ongewenste effecten kan

hebben.

Extra complicerend is dat het huidige co÷peratieve regime ziet op de klassieke toepassing

van de co÷peratie waarbij een verlegging plaatsvindt naar een lid-natuurlijk persoon die

ondernemer voor de inkomstenbelasting is. De belastingheffing wordt dan door toepassing

van de verlengstukwinstaftrek van de co÷peratie, verschoven naar de ondernemer. Er

ontstaat daardoor geen Ĺgatĺ in de belastingheffing.

De wet bevat een weeffout voor nieuwe toepassingen: zoals de energieco÷peratie. Hierdoor

is onduidelijk hoe de wet bij de regionale en de lokale co÷peraties moet worden

ge´nterpreteerd. Dit is in de praktijk bij vooroverleg met de Belastingdienst merkbaar.

Fiscaal kan het standpunt ingenomen worden dat als de lokale co÷peraties enkel ledennatuurlijke

personen ľ niet ondernemers ľ zou hebben, eventuele uitdelingen uit de winst tot

een aftrek zouden moeten leiden in de lokale co÷peratie, en bij het lid enkel tot

belastingheffing in box III (bij meer dan 20 leden). De Belastingdienst heeft in een aantal

situaties laten weten, bepaalde Ĺweeffoutsituatiesĺ met hand en tand te zullen bestrijden. Het

is daarom meer dan raadzaam, om vooraf met de Belastingdienst verschillende scenarioĺs af

te stemmen.

 

Belastingaspecten met betrekking tot transacties (diensten en leveringen) tussen

leden en de co÷peratie

Een belangrijk aspect, dat ook tussen de regionale co÷peratie en haar leden zal spelen, is het vereiste

van fiscaal zakelijk handelen. Dit betekent dat de regionale co÷peratie zakelijke prijzen moet hanteren ten

opzichte de lokale co÷peratieá en ten opzichte van haar leden. Dit geldt ook andersom. Dit op grond

van de internationale wettelijke eisen aangaande marktconform -at arms length ľ handelen

zoals opgenomen in de wet op de vennootschapsbelasting 1969. Afwijkingen kunnen

worden gecorrigeerd.

Extra oplettendheid is gewenst bij onzakelijke prijsstellingen die voordelen vanuit de

co÷peraties naar de leden van de lokale co÷peraties verschuiven. Dit omdat in de

inkomstenbelasting andere tarieven gelden. Een voorbeeld hiervan is het algeheel afromen

van de winst van een rechtspersoon door een laag tarief aan de klant te berekenen.

 

Overige fiscale aspecten

Buiten de bovenstaande fiscale vraagstelling signaleren wij een aantal belangrijke fiscale

aspecten. De volgende aspecten verdienen in ieder geval nader onderzoek, overleg en een

proces gestuurde aanpak:

- onderlinge prijsstelling

- inbreng door leden

- energiebelasting

- btw

- subsidies